Zoekt u Christelijke gedichten voor kerkblad, liturgie, bijbelstudie, vieringen of een gedicht bij een Bijbelgedeelte? De gedichten die u hier aantreft mag u ongewijzigd met vermelding van naam en bron vrij gebruiken. Zoekt u een Christelijk kerstverhaal, Paasverhaal of een digitale verjaardagskaart, beterschapskaart, condoleancekaart of doopkaart met een gedicht? Ook die kunt u hier vinden. Voor vragen of het verzorgen van een lezing met voordrachten of een workshop kunt u contact opnemen via cobytjeert@live.nl Inmiddels is er ook een volledig programma voor Kerst en Pasen. Mijn boeken zijn verkrijgbaar bij de boekhandel in de buurt, bestelmijnboek.nl, bij bol.com en te leen in de bibliotheek. Voordrachten zijn te beluisteren op https://www.luistergedichten.nl/index.php/component/comprofiler/userprofile/905-poelman

maandag 30 december 2013

Geloof

Ze had kanker toen ze zei:
Geloven is voor mij
als kind bij vader
achterop de fiets vol overgave,
benen in de fietstas,
leunen tegen vaders jas,
Hij kent mijn bestemming
zonder routeplanning.

Ze kende haar vader maar even.
Toen hij stierf was zij pas zeven
maar de band met Vader is altijd gebleven.

Als Vaders gang lijkt te vertragen
wordt het kind naar Huis gedragen.

Coby Poelman-Duisterwinkel


Geschreven n.a.v. de afscheidsdienst van mijn nichtje op 4 oktober 2007.

Uit de bundel "Granaatjes met een gouden slot"

vrijdag 27 december 2013

Gedachtewisseling

Zijn gezicht spreekt boekdelen
denkt het opengeslagen boek.

Zijn trouwe lezer leest
hoe een dichter
zijn onuitgesproken gedachten
verwoordt in een
aansprekend gedicht
als ware het aan hem gericht.

Bedachtzaam neemt de lezer
van het vertrouwde Licht.

Coby Poelman-Duisterwinkel


Uit: "Granaatjes met een gouden slot"

zondag 22 december 2013

Kracht

Elke keer
sterkt het me meer,
zelfs in de zwartste nacht.

Steeds vrijmoediger
overwin ik
mijn onmacht
want ik geloof,
ik weet het zeker:

Zijn kracht
wordt in zwakheid
volbracht.

Coby Poelman-Duisterwinkel


Uit: "Granaatjes met een gouden slot"

dinsdag 17 december 2013

Verjaardag

De dag waarop ik
elk jaar denk
aan je geboorte,
Godsgeschenk.

Je bestaat, ademt, leeft,
straalt, lacht,
ontvangt en geeft,
je groet, omhelst,
kust en wordt gekend,

kind wat ben ik blij
dat jij geboren bent!

Coby Poelman-Duisterwinkel

Kunstwerk van Mies Deinum


Uit: "Granaatjes met een gouden slot"

zondag 15 december 2013

Kom en zie

Ach Jozef,
vraag maar niet meer
bij die volle herberg,
veel liever ben ik nu
ergens met jou alleen,
‘k voel al een gloed
van barenswarmte
door me heen.

Wat is ze sterk,
mijn biddende Maria,
de sporen van geboortepijn
in haar gelaat,
de hele reis heeft zij
vertrouwen uitgesproken,
haar ondersteunend
volgen we de waard.

De stal
achter de herberg
herbergt vee,
hun warmte ademt mist,
maar nergens anders
is een plaats
waar zoveel vrede is.

De Vader
begeleidt -het Lam-
in deze dochter
naar Zijn plaats op aarde.
Zie welk een heilig
Godsgeschenk
zij hier vannacht
mocht baren.

Coby Poelman-Duisterwinkel


Geschreven voor het thema van deze maand "geen plaats" van gedichtensite.nl

vrijdag 13 december 2013

Adventsmeditatie

Gisteren was ik te gast op de kerstbijeenkomst van de C.P.O. Daar hoorde ik een aansprekende adventsmeditatie, geschreven en voorgelezen door Tjarda Mulder-Wiertsema.
Ik vroeg of ik haar meditatie op internet mocht zetten zodat meer mensen er iets aan konden hebben. Zij gaf haar toestemming en ik geef het hierbij graag aan u door:

12 december 2013 Kerstbijeenkomst

Advent: een tijd van bidden en inkeer met daarin de belofte van de profeet Jesaja, een tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus wordt verwacht. In een harde wereld vol mensen, klein en groot ontsteken wij een kwetsbaar licht want liefde is sterker dan de dood, de vlam van Christus zal niet doven. God komt telkens onverwacht. Hij is het licht in onze ogen, de hoop in onze nacht. Hieraan moest ik ook denken bij de berichten in de krant na het overlijden van Nelson Mandela. Strijd en verzoening, niet alleen tegen de apartheid, ook strijd tegen onrecht. In de gevangenis heeft Mandela de haat weten te overwinnen en voelde zich later een vrij mens. Mandela werd tot blijvend voorbeeld van moed en zijn leven en werk werd voor velen tot zegen. Ook hij voelde zich geïnspireerd door de Bijbel en offerde zijn eigen vrijheid op om voor anderen te strijden. Zo bijzonder om nu juist in de adventsperiode in dankbaarheid terug te zien op zijn leven en om vooruit te zien naar de betekenis voor de toekomst. Respect en bewondering, maar vooral ook dat een mens zich niet door angst moet laten leiden, maar juist door de hoop.
“De nacht is haast ten einde, de morgen niet meer ver. Bezing nu met verblijden de held’re morgenster. Wie schreide in het duister begroet zijn klare schijn als hij met al zijn luister straalt over angst en pijn.” (Lied 130 vers 1)
“Hoe helder staat de morgenster en straalt mij tegen van zover, de luister van mijn leven.” (uit lied 157 : 1)
Of zoals in Johannes 1 vers 1 tot 5 staat dat het licht schijnt in de duisternis en dat de duisternis het niet in haar macht heeft gekregen. Zo zijn wij onderweg naar het feest van de geboorte van Jezus Christus. In Mattheüs 2 vers 2 gaat het over de wijzen uit het Oosten die ook op pad gingen. Zij vonden de weg naar de stal van Bethlehem niet vanzelf. De ster wees hun de weg. De ster is het troostvolle symbool in de donkere dagen van ons leven. In de Bergrede van Mattheüs 5 vers 14 tot 16 staat dat Jezus het licht der wereld is maar Jezus zegt ook gij zijt het licht der wereld. Wij zijn bedoeld voor en geschapen om te stralen. Bij alles wat wij doen, waar en wanneer en met wie en hoe ook zet Jezus ons in de spotlights van Zijn heil. Ons licht laten schijnen en werken aan vrede en gerechtigheid met de mensen om ons heen, zodat zij door ons handelen de Vader in de hemel mogen leren kennen en Hem lof mogen brengen. Dat deden ook de engelen.
Zingen: Lied 135 vers 1 t/m 3.
Een engel als boodschapper van God aan de mensen. God gebruikt mensen om een engel voor de ander te zijn. Een engel wens ik u om Gods nabijheid te ontvangen, een engel die je aankijkt, naar je lacht, die je opbeurt en hoort in de nacht. Een engel wens ik u, God te loven hier en nu. Dat Zijn engel bij u blijft en u wijst op Gods liefde. Kerst is het verhaal van Gods liefde, dat verteld en doorverteld moet worden. God is liefde en wie in de liefde woont, woont in God en God is met hem. 1 Johannes 4 vers 16. Tot slot een gedicht van Nel Benschop uit “Geloven is geluk” over het Hart van Gods liefde.

Christus, Gij zijt het hart van ons bestaan.
Een hart dat klopt vol liefde en erbarmen;
We voelen ons omhelst door Vaders armen
Die Hij beschermend om ons heen wou slaan.
Nu durven wij het donk`re leven aan,
Omdat in Bethlehem het Licht ging schijnen
dat zelfs door Golgotha niet kon verdwijnen:
de Zon van Pasen maakte zich ruim baan.
De hele wereld werd in `t licht gezet;
Wij schermden `t al met onze donk`re handen.
Maar ondanks onze ontreddering en schande
Liet Gij het Licht der lichten voor ons branden;
-zo heeft een zwarte wolk soms gouden randen-
Door Uw intensive care zijn wij gered.

Meditatie van Tjarda Mulder-Wiertsema

donderdag 12 december 2013

Herbergt u de Trooster al?


Wat heerlijk
dat Hij plaats bereidt
voor ons
in Vaders Huis.

Hoe warm straalt
ondertussen
de Trooster
in Zijn plaats,
bereidheid in ons scheppend
om woning te bereiden
in wie Hij nog niet is.

Waarom was er
voor Hem geen plaats
destijds in Betlehem,
hoe lang is Hij al
aan het plaats bereiden,
waar is het wachten op?

Heb ík al ergens
aangeklopt, gebeld,
mijn Redder voorgesteld,
de reden van Zijn komst
op aarde doorverteld?

Coby Poelman-Duisterwinkel


Geschreven voor het thema van deze maand "geen plaats" van gedichtensite.nl

dinsdag 10 december 2013

Adventskaarsengedichtje


Ik kom zegt Jezus,
deel het licht,
één ster vertelt ons
Zijn bericht.

Het licht van Jezus,
straalt Zijn spoor,
twee vlammen geven
vrede door.

Jezus verwachten
maakt ons blij,
kijk maar, drie lichtjes
op een rij.

Het feest van Jezus
komt er aan,
‘k zie al vier kaarsjes
brandend staan.

Coby Poelman-Duisterwinkel

(Te laat alweer voor dit jaar maar misschien iets voor het volgend jaar)


woensdag 4 december 2013

Unieke uitgave van Floris en het jongenskoor

Het Sacramentskoor van Breda heeft iets moois bedacht.
Eén van de leden van dit koor kocht via internet het boekje Floris en het jongenskoor, las het en mailde mij met de vraag of ik een uitgave kon maken met dezelfde tekst maar met foto's van het Sacramentskoor.
Zij maakten foto's bij de bestaande tekst en een foto voor de omslag. Bestelmijnboek.nl stelde het samen en
zo werd deze unieke uitgave geboren.

Wilt u nu ook graag zo'n boek voor uw koor laten maken? Neem dan contact op via cobytjeert@live.nl of via 06 20182396. Het boekje van Breda is niet te koop. Dit is alleen voor eigen gebruik. De originele uitgave is te koop via bestelmijnboek.nl en via bol.com


dinsdag 3 december 2013

Storm van liefde

Het overkwam mij
in de Psalmendienst,
Gods Geest was zo aanwezig,
het stormde in en rond mijn hart,
ik gaf me er aan over,
de woorden van de predikant,
ze raakten, zweefden,
landden, stegen,
waaiden in het rond,
Psalm 118 leefde!

Kwam het omdat we hoorden
dat Híj dit voor Zijn sterven zong,
was het de bede “Heer!”
was het de ruimte
in Zijn woord,
wat raakte me zozeer?

De hele avond droeg Hij mij,
Zijn liefde was zo puur,
o, Geest van God,
storm in mij door,
onstuimig en ontroerend,
tot ik met U
de woorden zing,
verstillend in Uw koor.

Coby Poelman-Duisterwinkel


Geschreven n.a.v. de Psalmendienst van zondagavond 10 november 2013 in de Martinikerk Groningen.

Gepubliceerd in "Granaatjes met een gouden slot"

zondag 1 december 2013

Stemmen in de kerstnacht

Hoor eens, stil, daar klinkt het weer;
 “… van de nieuwgeboren Heer…”
Ik spring uit bed en open het gordijn.
Ze zijn juist toe aan het refrein.

Onder de lantarenpaal
zingen jongeren het kerstverhaal,
in het midden van de nacht
door Gods Geest bijeengebracht.

Er zijn ook nog trompetten bij.
Wat klinkt dat feestelijk, wat maakt het blij.
Als ik kijk naar dit ontroerend tafereel
neem ik er innerlijk vol vreugde aan deel.

Mijn gedachten gaan naar de Heilige nacht
waarin onze Vredevorst werd verwacht.
Ik voel de rillingen over mijn rug,
dit brengt mij bij de zangers terug.

Ze lopen door naar het volgende licht,
wrijven de slaap nog eens uit hun gezicht.
Zoekend in boekjes blijven ze staan,
heffen eerbiedig het engelenlied aan.

In mijn nachtkleding, rillend van de kou
bewonder ik in stilte hun jaarlijkse trouw.
Zij zijn weer voor dag en dauw opgestaan,
zingend, getuigend op weg gegaan.

Luisterend naar wegstervende gezangen
overspoelt mij een intens verlangen.
Laat iedereen het mogen horen;
Onze Redder is geboren!

Coby Poelman - Duisterwinkel

Uit: "Granaatjes met een gouden slot", een mooi kerstgeschenk

donderdag 28 november 2013

Organist vermist

Het lukte maar niet met het orgelspel,
zijn collega zei: “Ik help je wel.”

Tijdens de preek
toog organist Beek
over een uitgebeten zerk
naar zijn collega’s kerk.
Hij speelde het lied,
lang duurde het niet
en er was niemand die hem verried.

Zijn dominee dacht halverwege de preek:
Organist, je laat ons toch niet in de steek?
Het was hem lang niet naar de zin,
hij laste maar eens een tussenzang in
en wreef zich afwachtend over de kin

doch het bleef stil daar boven.
Het is toch niet te geloven?
Vol rust kwam de organist retour,
vond de gemeente in rep en roer.
“Wat een kouwe drukte zeg,
ik was alleen even samen-op-weg!”

Coby Poelman - Duisterwinkel


Uit "Granaatjes met een gouden slot"

zaterdag 16 november 2013

Troost

Toen niemand het meer had verwacht
beloofde de Heer hem nageslacht.
Vervuld van eerbiedwaardig overleg
bracht Abraham Hem naar de weg.

Daar sprak Hij over Sodom:
“Wat tref Ik aan als Ik daar kom.”
Abraham die Hem begrepen had
begon te smeken en hij bad;
“Heer, omwille van die 50, 40, 30, 20, 10…”

De Heer had zijn bewogenheid gezien.
“Ik zal de hele stad vergeven
als daar nog 10 rechtvaardigen leven.”

Hoeveel ouders herkennen dit smeken,
nauwelijks van Zijn zijde geweken
met de bewogenheid van Abraham
die voor zijn neef Lot opkwam
vragen ze Hem telkens weer:
“Heer, omwille van…”

Nog altijd vergeeft de Heer.


Coby Poelman-Duisterwinkel



Bij Genesis 18


Uit: "Granaatjes met een gouden slot"

dinsdag 12 november 2013

Ik weiger de twijfel

Met mensen
uit eigen kring
waren we bij elkaar.
"Je denkt toch niet
dat alles waar is
wat in de Bijbel staat,
geloof je echt dat
Jona in de vis zat
en Genesis is
enkel een verhaal".

Ik zag hoe om mij heen
de twijfel toesloeg,
broeders die
zo sterk geloofden
haakten af,
zagen de dood voor ogen.
Een kille leegte
stroomde door mijn leven.
Hoe sluipend kruipt
de twijfel om je heen,
ineens ontdek je,
hier staan we alleen

en dan komt er een keerpunt,
dan word je opgetild
door sterke Vaderarmen,
je hoort Zijn stem, zo mild.
Je geeft gehoor
aan wat Hij met je voor heeft,
je breekt en zoekt
Zijn waarheid en Zijn woord
en weet Hij heeft mijn
wanhoopskreet gehoord.

Hij zet je in de ruimte,
Hij geeft je weer een stem,
je huilt het uit van blijdschap;
hier ben ik weer bij Hem,
je bloeit van inspiratie,
Zijn Geest omvat je hart,
er is geen twijfel mogelijk,
Hij is mijn Levenskracht!

Coby Poelman-Duisterwinkel


Geschreven voor het thema "twijfel" van gedichtensite.nl

dinsdag 5 november 2013

Voor u

Ze was een sterke vrouw,
verzorgde trouw
tot aan hun dood
haar ouders.

Nu is ze zwak en oud,
nimmer getrouwd
en wordt verzorgd
door ouders.

Wat heeft ze veel gemist
denk ik,
wat lijkt ze op
mijn moeder.

Dan weet ik
dat Híj bij haar is,
ik zie hen
als een paar.

Heel even voel ik me
een kind
dat bij haar ouders is.

Zal ik het eens verwoorden
voor haar
in een gedicht?

Coby Poelman-Duisterwinkel


vrijdag 1 november 2013

Kerend tij

Ben ik een golf
die ruist en buigt,
om losse korrels rolt,
voelend de zuiging,
door stormen
voortbewogen,
zonder vaste grond,

Heer, vorm mij
tot een rots
die vaststaat
in de branding
en weerstand biedt
aan water, schrale wind,
vertrouwend op
de Maker
van hemel, zee
en aarde,

dan overstem ik golven,
dan zingt het uit mijn mond;
als God ons niet geschapen had
was er toch niemand
die bestond.

Coby Poelman - Duisterwinkel


Geïnspireerd door Jakobus 1 : 6
Wie twijfelt is als een golf in zee, die door de wind heen en weer wordt bewogen.

Geschreven voor het thema 'twijfel' van gedichtensite.nl


Kunstwerk van Ayzo Epeus van Humalda van Eysinga

donderdag 31 oktober 2013

Kerstverhaal 2013 "Nieuwe mensen", nu ook in het Fries




Ik speel dat mijn fiets een paard is en steiger door de nieuwbouw. Soms glijd ik bijna uit over de bobbels zand. De stratenmakers zijn al naar huis. Het wordt nu snel donker. Eén rijtje nieuwbouwhuizen is klaar. Ik stijg af en stal mijn paard. Er brandt licht in één van de huizen en ik wil kijken of er mensen met kinderen wonen. Ik voel me een beetje alleen. De meeste kinderen van mijn klas hebben broertjes en zusjes en een vader en moeder thuis. Een echt vriendinnetje heb ik niet want de kinderen in mijn klas vinden het vreemd dat ik alleen een moeder thuis heb. Ook al zeg ik altijd dat mijn pappa vaart, ze geloven me niet. Nou, dat snap ik wel want het ís ook niet zo.
Ik zie een oude bruine piano en op die piano een vierkante vissenbak met water en plantjes en een hele grote schelp, zo eentje waar je de zee in kunt horen. De vissenbak geeft licht. Ik zie een bank, stoelen met groene kussens en naast de piano een eettafel met zes stoelen. Een jongen en een meisje spelen scrabble. Een kleiner meisje kijkt toe. Het grootste meisje lijkt van mijn leeftijd. De jongen lacht en schrijft zijn punten in een schrift. Het meisje pakt 5 letters van het plankje en legt ze op het bord. De jongen telt en lacht nu niet meer. Hij schrijft weer punten in het schrift.
Dan komt de moeder binnen. Ze draagt een baby op de arm. De kinderen schuiven het bord en de plankjes naar het raam en de moeder gaat de baby verschonen op de tafel. Ik wil kijken welk woord het meisje heeft gelegd maar dan zien ze mij. Ze kijken tegelijk naar het raam en het grootste meisje staat op, gaat door de deur waardoor de moeder binnenkwam en doet de buitendeur open. ‘Je mag wel binnenkomen’ zegt ze. Ze geeft mij een hand en zegt dat ze Guusje heet. Ze gaat weer naar binnen en kijkt of ik wel mee kom. Als ik in de kamer sta komen ze naar mij toe en geven me een hand. De jongen heet Paul en het kleinere meisje Lidy. De moeder neemt de baby weer op de arm, geeft me ook een hand en vraagt of ik iets wil drinken. Of ik limonade lust. Guusje gaat met mij naar de keuken en pakt een fles met rozenbottels op het etiket. Ze vult een glas met een klein beetje en doet er water bij. Ik vind het lekker. Guusje vraagt of ik kan zingen. Ze gaan straks zingen bij de piano. De moeder speelt uit een groot boek met strepen en stippen en zwart-witte plaatjes. Ze zingt zelf ook mee. Ze schuiven voor mij een stoel naast de moeder, dan kan ik de woorden lezen in het boek, de anderen kennen ze al uit hun hoofd. Het is niet moeilijk zeggen ze. Als je naar de piano luistert kun je horen hoe de wijs gaat. Ik mag eerst luisteren. Ze zingen over engelkens die door de lucht zweven en wonderzacht zongen van de Heer van dood en leven en dan zingen ze Glo met een hele lange o en over Ria in Excelsis Deo. Daarna zingen ze over het zoete kindeke en over herders die er waren en bij de kribbe knielden. Dan komt weer die Glo met de lange o en die Ria. Ik kijk naar het plaatje en naar de baby die in een maxi-cosi ligt. Misschien noemen ze dat een kribbe. Maar wat die herders erbij moeten snap ik niet. Als ze vragen of ik mee wil zingen vraag ik wie Ria is met de moeilijke achternaam en of zij die maxi-cosi kribbe noemen. De moeder begint te stralen. Paul pakt een groot boek van de boekenplank, slaat het open en laat me mooie gekleurde platen zien. Hij legt me uit wat erbij staat en ik mag er in gaan lezen zo vaak ik wil. De moeder zegt dat ik alles vragen mag wat ik wil weten.

Als ik thuiskom eten we weer boontjes in tomatensaus. Nu denk ik er knakworstjes bij. Het is of de boontjes lekkerder zijn dan gisteren. Ik kijk naar het aanrecht maar om het blik zit hetzelfde etiket. Ik zeg tegen mamma dat ik bij de nieuwe mensen binnen ben geweest. Dat het gezellig was en dat ze bij de piano zongen over engelen in de lucht en over de Heer die een baby was en dat ik vaker mag komen en dat ze een heel mooi boek hebben waar die Heer als een kindje in een voerbak ligt wat ze een kribbe noemen. Mamma kijkt me aan en zegt dat ik op moet passen met vreemde mensen en dat ik ze niet te veel moet vertellen. Ze is moe van een hele dag achter de kassa zitten. Als ik afgeruimd heb en de afwas heb gedaan ligt ze te slapen op de bank. Ik zet de tv aan maar er is niets leuks voor. Ik ga achter de computer zitten en google het woord kribbe. “Kribbe (of krib) is een oud Nederlands woord voor voerbak of voederbak. Het woord is vooral bekend omdat in het geboorteverhaal van Jezus via Lukas te lezen valt dat Jezus na zijn geboorte in een kribbe werd gelegd.” Ik zie een kleurenfoto van zo’n kribbe die ik ook in het boek heb gezien van de mensen waar je mee op moet passen.

Weer bestijg ik mijn paard. Ik kreeg hem van mijn neefje, zijn vader zaagde de stang eraf en toen werd het een meisjesfiets. Als ik op de trappers sta voel ik de kuilen minder en ben ik in galop. De stratenmakers zijn een stuk verder gekomen. De deur is los. Guusje, Paul, Lidy en de moeder zitten bij de grote tafel. Ze zijn aan het knippen en plakken. Kleine plaatjes op gekleurd karton. Ze maken kerstkaarten voor de nieuwe buren. Ik mag ook meehelpen. Met een kartelschaar, die mooie randjes maakt, mag ik de gedichtjes uitknippen die ze uitgeprint hebben. Ik lees: “Onze Redder werd geboren, Hij overwon het kwaad, grote blijdschap is te horen als iedereen dit nieuws verstaat.” Ik vraag wat een Redder is. De moeder zegt dat het de Heer is die in die kribbe lag. Hij heeft toen Hij groot was alle kwaad van de mensen afgenomen en nu mag iedereen die dat wil bij Hem horen. Als alle mensen bij Hem willen horen omdat ze van Hem zijn gaan houden is er grote blijdschap.
Dan komt de vader thuis en zegt met een vrolijk gezicht dat hij een verrassing heeft. Hij houdt een zak omhoog met rode tekeningetjes erop. Ik ruik al wat het is. Als hij vraagt of ik mee wil eten pak ik blij mijn paard en steiger naar de supermarkt. Het mag van mamma. Als het eten op is gaat de vader uit het boek lezen. Wat heeft hij een mooie stem. Iedereen is stil en dan gaan ze hun handen weer vouwen maar nu gaat de vader hardop praten met zijn ogen dicht. Hij dankt de Heer die een baby is geweest voor het lekkere eten en vraagt of het kerstfeest gezegend mag worden en iets over het aanraken van harten. Nadat hij amen heeft gezegd gaat iedereen met volle handen naar de keuken. De tafel is zo afgeruimd. De vader komt terug in de kamer en gaat bij mij aan de tafel zitten. Dan vraagt hij zomaar onverwacht of ik ook een pappa heb. Ik denk aan mamma’s woorden. Is praten met gevouwen handen iets waar je voor op moet passen of moet ik nu oppassen dat ik niets vertel? Maar deze vader heeft zulke vriendelijke ogen en dan vertel ik toch wat ik nog nooit aan iemand heb gezegd. Het is een tijdje stil. Hij zegt dat hij na gaat denken wat hij voor ons kan doen en vraagt of ik zin heb om straks mee te helpen de schuur van de borg alvast gezellig te maken voor het kinderkerstfeest.

Als ik na afloop thuiskom kijkt mamma blij. Ze heeft bezoek gehad en ik mag drie keer raden. Ik zie op de tafel de doos met scrabble staan en morgen komen Paul en Guusje bij mij scrabble spelen. Dan gaat mamma naar de nieuwe mensen. Ze zoeken een oppas voor de dagen dat mamma niet in de supermarkt werkt en gaan haar uitleggen waar ze alle spullen kan vinden en hoe alles werkt.

Paul, Guusje en ik mogen met de fiets naar het kerstfeest in de grote schuur van de borg. De anderen gaan met de auto die nu vol is. Op het fietspad vertel ik Guusje dat mijn fiets een paard is, ik ga een stukje harder rijden en laat zien hoe je kunt steigeren. Guusje probeert het ook maar gaat gevaarlijk slingeren. Paul botst met zijn voorwiel tegen haar spatbord aan. ‘Kijk uit’, roept hij. Guusjes voorwiel komt naast het fietspad en Guusje valt in de berm. Ze staat meteen weer op, klopt dapper het zand van haar jas, zet de fiets overeind en buigt het stuur recht door het voorwiel tussen haar benen te klemmen. Als we weer verder fietsen moppert Paul achter ons dat we niet weer zo gevaarlijk moeten doen, dat hij de oudste is en op hen moet letten en dat hij het straks op de kop krijgt omdat Guusje er nu niet uit ziet. Guusje zegt tegen Paul dat ze speelde dat haar fiets een paard was en dat ze leerde steigeren. ‘Een ezel zal je bedoelen’ zegt Paul. ‘Oke’, zegt Guusje, ‘dan is jouw fiets een os.’ Dan gaan we de oprijlaan in. Het wordt al een beetje donker. Ik denk aan de kerstliedjes en begin te zingen. Paul is nog een beetje chagrijnig van het botsen maar Guusje zingt meteen mee. Wat klinkt dat hier mooi in de stilte. Als het nu ook nog zou sneeuwen zou het helemaal prachtig zijn. De vader staat ons al op te wachten. Onze fietsen mogen binnen staan zegt hij. We moeten de jas aanhouden want er is geen verwarming. Gelukkig is hier niet veel licht. Niemand ziet dat Guusjes kleren vies geworden zijn.

Ik speel dat deze schuur de stal van Betlehem is, dat hier het kindje Jezus is geboren en dat wij de herders zijn die op bezoek mogen komen. Ik zit naast Guusje, ze lijkt wel een echte herder met die modder op haar kleren en de schrammen op haar hand. We luisteren naar de mevrouw die het verhaal vertelt. Ik kijk naar mamma. Zou zij het ook een mooi verhaal vinden? Ze ziet mij en opeens lijkt het of het scrabbelt door mijn hoofd, alsof de letters vanzelf in een rijtje gaan staan. Heel zachtjes fluister ik, zo zacht dat zelfs Guusje het niet kan horen: "Lieve Jezus, dank U wel dat mamma weer heeft gelachen. Misschien komt het omdat ze in het boek is gaan lezen als ze op moest passen. Eerst wilde ze bijna niks en nu is ze hier en ik heb gezien dat ze net zo keek als toen ze de baby van de nieuwe mensen zag die helemaal in Nieuw Guinea gewoond hebben. Als deze vader een keer met mij naar het afkickcentrum gaat vertel ik het aan pappa en zeg ik dat mijn paard zelfs bij Jezus in de stal mocht staan naast de os en de ezel van Guusje en Paul en dat kerstfeest grote blijdschap is omdat Jezus bij de mensen is komen wonen, van heel ver weg, nog verder dan Nieuw Guinea".

Als we chocolademelk drinken komt Guusjes vader naast me zitten. Hij vraagt of ik het verhaal herkende. Ik vertel hem dat ik denk dat ik gebeden heb en vraag of het kan komen omdat ik speelde dat ik een herder was. Ik vertel over het scrabbelen in mijn hoofd, dat de letters vanzelf rijtjes werden. Hij kijkt verrast. Hij denkt dat als je zo dicht bij Jezus bent gekomen als die herders, je vanzelf gaat bidden omdat Híj de woorden legt.

Op de terugweg zingt het in mijn hoofd. Ik vertel het aan Guusje. Ze is even stil alsof ze na moet denken. Opeens roept ze vrolijk: “Zo ging het bij de herders ook!”

Coby Poelman – Duisterwinkel
Gepubliceerd in: “Granaatjes met een gouden slot”

Het kunstwerk, foto bovenaan is van Anneke Hoes.




Krystferhaal: Nije minsken

Ik doch sabeare oft myn fyts in hynder is en stegerje troch de nijbou. Somtiden glydzje ik hast út yn it sân. De strjitmakkers binne al op hûs oan en it wurdt al gau tsjuster. Der is al ien rychje huzen klear. Ik lit my fan myn hynder glydzje en set him fêst. Der baarnt ljocht yn ien fan de huzen en ik wol witte oft dêr ek bern wenje. Ik bin altyd mar allinnich. De measte bern út myn klasse ha wol broerkes en suskes en in heit en mem. In echt freondintsje ha ik ek net, want de bern fine it mar frjemd dat ik allinnich in mem ha. En al sis ik dat ús heit kaptein op in boat is... se leauwe my net. Stikem ha se wol gelyk want it is ek net sa.
Ik sjoch dat yn dat ferljochte hûs in âlde brune piano stiet mei dêrop in fjouwerkante   fiskebak mei  plantsjes en in hiele grutte skulp. Sa’n ien wêrynst de see heare kinst. Dy fiskebak jout ljocht! Ik sjoch in bank stean, stuollen mei griene kjessens en neist de piano stiet in tafel mei seis stuollen. In jonge en in famke binne oan it skrebbeljen, dat kin ‘k ek sjen en in lyts famke stiet der by te sjen. It grutte famke liket fan myn leeftyd. De jonge laket en skriuwt syn punten op yn in skrift. It famke pakt no letters fan har plankje en leit se op it boerd. De jonge telt har punten en no laket hy net mear en skriuwt  har punten ek yn it skrift.
Dan komt harren mem de keamer yn. Se hat in lytse poppe op ’e earm. De bern skowe it boerd en de plankjes oan ’e kant en dan kin de mem de lytse poppe op ’e tafel in skjin ruft oan dwaan. Eins wol ik sjen hokker wurd it famke makke hie op it boerd mar … dan sjogge se ynienen my efter it rút stean. It grutte famke komt oerein en docht de bûtendoar iepen. “Do meist der wol yn komme, hear!”, seit se. Dan jout se my in hân en seit dat se Guusje hjit. Se draait har om en sjocht oft ik har wol efternei kom. Dan bin ik yn de keamer en jouwe se my allegear in hân. De jonge hjit fan Paul en it lytsere famke hjit fan Lidy. Har mem nimt no de lytse poppe wer op ’e earm, jout my ek in hân en freget oft ik ek wat te drinken ha wol. Oft ik wol limonade mei. Guusje giet mei my nei de keuken en pakt in flesse mei roazebottels op it etiket. Dan jit se wat fan dat guod yn in glês en docht der wetter by. Ik  mei it wol. Guusje freget oft ik ek sjonge kin, want se sille aanst sjonge by de piano.
Har mem spilet út in grut boek mei streepkes en stipkes en mei swart/wite plaatsjes. Se sjongt sels ek mei. Dan skowe se foar my in stoel neist har mem, dan kin ik de wurdsjes lêze yn it boek. De oaren kinne de ferskes al út ’e holle. It is net sa muoilik, sizze se. Ast goed nei de piano lústerst kinst heare hoe’t de wize giet. Ik moat earst mar ris lústerje. Se sjonge oer ‘tûzen ingels dy ‘t yn de loft sweve en sjonge fan frede’ en dan sjonge se ‘Gloo’ mei in lange ‘o’ en oer ‘Ria yn Excelsis Deo’. Dêrnei sjonge se oer ‘it lytse berntsje’ en oer ‘hoeders dy ’t kamen en by de krêbe op ‘e knibbels lizze’. Dan komt wer dy ‘Gloo’ mei de lange ‘o’ en dy ‘Ria’. Ik sjoch nei it plaatsje yn it sjongboek en nei de poppe yn de maksy-kozy. Miskien is dat wol in krêbe. Mar wat dy hoeders dêr by moatte begryp ik net. Dan freegje se oft ik meisjonge wol, mar ik wol earst witte wa’t Ria is mei dy nuvere achternamme en oft sy dy maksy-kozy in krêbe neame. Har mem moat laitsje. Paul nimt in grut Boek út ‘e kast en lit my moaie kleurde platen sjen. Hy fertelt wat der by stiet en hy seit dat ik yn dat boek sjen mei sa faak as ik wol. Har mem seit dat ik álles freegje mei wat ik witte wol.

As ik thúskom ite we al wer beantsjes yn tomatesaus. No tink ik der mar knakwoarstjes by want dan is it krekt oft se lekkerder binne as juster. Ik sjoch op it oanrjocht. Om it blik sit itselde etiket as juster. Ik fertel mem dat ik by de nije minsken yn ’e hûs west ha. Dat it gesellich wie en dat se by in piano songen oer ‘ingels yn de loft’ en oer ‘de Heare dy’t in lytse poppe wie’ en dat ik faker komme mei en dat se in hiel moai boek ha wêr ’t dy Heare as in lytse poppe yn in foerbak leit wat se in krêbe neame. Mem sjocht my oan en seit dat ik der wol in bytsje om tinke moat. Se binne frjemd en dat ik se net tefolle fertelle moat. Se is wurch fan de hiele dei achter de kassa te sitten. As ik de tafel ôfromme ha en de ôfwask dien, leit mem te sliepen op ‘e bank. Ik doch de tillevyzje oan mar der is neat oan. Dan gean ik mar achter de kompjûter sitten. Ik gûgelje it wurd ‘krêbe’. ‘Krêbe’ is in âld Frysk wurd foar foerbak. It wurd is foaral bekend wurden omdat yn it berteferhaal fan Jezus (út Lukas) brûkt waard: “Hy yn in krêbe lein waard”. Der stiet in kleurefoto fan sa’n krêbe by, dy’t ek yn it boek stie fan dy aardige frjemde minsken wêr’t ik net tefolle oan fertelle mei fan ús mem…

Ik spring wer op myn ‘hynder’. Dy ha ik krigen fan myn neefke. Us omke hat de stange der ôf seage en doe waard it in famkesfyts. As ik op de trapers stean fiel ik de hobbels en bobbels minder en bin ik yn ‘galop’.
De strjitmakkers binne hjoed in stik fierder kommen. De doar fan Guusje-en-dy is los. Guusje, Paul en Lidy en harren mem sitte by de grutte tafel te knippen en plakken. Lytse plaatsjes op kleurd karton. Se meitsje krystkaarten foar har nije buorlju. Ik mei ek meihelpe. Mei in kartelskjirre, dy’t moaie rântsjes makket, mei ik de gedichtsjes útknippe dy ’t se útprinte ha. Ik lês: “Us Rêder waard berne. Hy oerwûn it kwea, grutte bliidskip is te hearen as eltsenien dit nijs ferstiet.” Ik freegje wat in ‘Rêder’ is. Harren mem seit dat it de Heare Jezus is dy ’t yn de krêbe lei. Hy hat, doe ’t Hy grut wie, alle kwea fan de minsken op him nommen en no mei eltsenien dy ’t dat wol by Him heare. As alle minsken by Him heare wolle om ’t se fan Him hâlde, komt der ‘grutte bliidskip’.
Dan komt harren heit thús. Hy seit mei in fleurich gesicht dat hy in ferrassing hat en hâldt in pûde omheech mei reade tekeninkjes derop. Ik rûk al wat it is: oaljekoeken! Hy freget of ik mei-ite wol. Dan moat ik earst nei ús mem dy ‘t yn de supermerk oan it wurk is om te freegjen oft it wol mei… en it mei!
As we it iten op ha lêst de heit út it Boek dat Paul my earder al sjen litten hat. Hy hat in moaie stim. Eltsenien is stil en dan dogge se de hannen gear. No praat har heit lûdop mei syn eagen ticht. Hy tanket de Heare -dy’t in lytse poppe west hat- foar it lekkere iten en freget in Seine oer it krystfeest en noch wat oer ‘it reitsjen fan herten’. Nei ‘t hy ‘amen’ sein hat nimt elts wat mei nei it oanrjocht. De tafel is gau rom. Dan komt harren heit werom nei de keamer en giet neist my sitten en freget oft ik ek in heit ha. Ik moat tinke oan wat mem sein hat… Is prate mei de hannen gear eat wêrfoar’t ik oppasse moat of moat ik oppasse dat ik neat fertel? Mar dizze heit hat sokke freonlike eagen en dan fertel ik wat ik noch nea oan ien ferteld ha. Dan is it in skoftsje stil. Harren heit seit dat hy der oer neitinke sil oft hy ek wat foar ús dwaan kin. En hy freget oft ik sin ha om mei te helpen de skuorre by de stins gesellich te meitsjen foar it bernekrystfeest. No, dat wol ik wol!

As ik nei ôfrin wer thúskom sjocht mem sa bliid! Se hat besite hân en ik mei trije kear riede. Ik sjoch op ’e tafel in doaze mei skrebbel stean. Guusje en Paul komme moarn mei my skrebbeljen, ha se sein! Dan giet mem nei de nije minsken ta, want mem sil op harren lytse poppe passe krékt op de dagen dat mem nét yn de supermerk wurket. Se sille mem fertelle  wêr’t alles stiet.

De oare deis meie Paul, Guusje en ik op ’e fyts nei it krystfeest yn de skuorre by de stins. De oaren geane mei de auto. Ik fertel oan Guusje dat myn fyts myn hynder is. Ik lit har sjen hoe’t je stegerje kinne mei de fyts. Guusje besiket it ek, mar se slingeret nochal. Paul botst mei syn foartsjil tsjin har spatboerd oan. “Tink derom!”, ropt er. Mar Guusjes tsjil komt yn ‘e berm en se falt mei de fyts oer ‘e kop. Fuortdaliks giet se wer oerein en kloppet de measte smoargens fan har jas. Se bûcht it tsjil rjocht tusken har fuotten en stapt gau wer op. Under it fytsen seit Paul dat we net wer sa gefaarlik dwaan moatte. No krijt hy aanst op ’e kop om’t hy de âldste is en om harren tinke soe en no is Guusje smoarch…
Guusje seit dat se leare woe te stegerjen op har hynder… “In ezel bedoelst seker?”, seit Paul. “No, dan is dyn fyts in okse!”, seit Guusje.
We binne der hast en it is al in bytsje tsjuster oan it wurden. Ik tink oan de krystferskes en begjin te sjongen. Paul is noch in bytsje nidich fan ‘e botsing mar Guusje sjongt daliks mei. Wat klinkt dat moai no ’t it sa stil is! As it no ek noch snijde wie it hielendal prachtich. Harren heit wachtet al op ús. We meie de fytsen yn ‘e skuorre sette. We moatte ús jas oanhâlde want der is gjin ferwaarming yn ’e skuorre. It is in gelok dat it hjir net sa ljocht is, want no sjocht gjinien dat Guusje har klean smoarch binne.

Ik doch sabeare as is dizze skuorre de stâl fan Bethlehim en dat hjir de lytse poppe Jezus berne is en dan binne wy de hoeders dy ’t op besite komme. Ik sit neist Guusje. Dy liket wol in echte hoeder mei har smoarge klean en de skramkes op har hannen. We lústerje nei de frou dy’t it ferhaal fertelt. Ik sjoch nei ús mem. Soe sy it ek in moai ferhaal fine? Se sjocht my oan en dan!... dan fielt it as skrebbelet it yn myn holle. De letters steane no samar teplak…! Dan flústerje ik sa sêft, dat net ien it heare kin, sels Guusje net: “ Leave Jezus, tankewol dat ús mem wer lake hat. Miskien komt it wol om’t se yn it Boek lêzen hat, doe’t se oppasse moast op de lytse poppe fan ‘e buorlju. Dêrfoar woe se nea wat, mar ik wit noch hoe ’t har gesicht feroare doe ’t se de lytse poppe seach fan de nije minsken -dy’t earst hielendal yn Nij Guineä wenne ha- en dêr’t se no op passe mei.

Nije wike, as Guusje har heit mei my nei it ôfkik-sintrum sil, dêr’t ús heit wennet, sil ik oan ús heit fertelle dat myn ‘hynder’ by Jezus yn ‘e stal stean mocht neist de ‘okse’ en de ‘ezel’ fan Paul en Guusje. En dat elts mei it krystfeest sa bliid is om ’t Jezus by de minsken kaam te wenjen. Hiel fier fuort. Noch fierder as Nij Guineä.

No ’t it ferhaal dien is drinke we earst poeiermolke. Guusje’s heit freget my oft ik it ferhaal noch koe. Ik fertel him dat ik tink dat ik bidden ha. Soe dat komme om’t ik sabeare die oft ik in hoeder wie? Ik fertel oer it skrebbeljen yn myn holle. Dat de letters fansels op it goede plakje kamen te stean. Hy sjocht fersteld nei my. “Ik tink”, seit er, “datst bidde koest, omdatst as hoeder hiel ticht by Jezus wiest. Dan giet it fansels”.

Op de weromreis sjong ik samar yn mysels. Dat fertel ik oan Guusje. Dy wurdt der stil fan. Mar dan seit se ynienen optein: “Dat dienen dy hoeders ommers ek!”